Dat is een leugen. Ik ben bang. Doodsbenauwd ben ik. Altijd ben ik bang. Ik ben bang dat ik het fout doe. Ik ben bang dat mensen kijken. Ik ben bang dat mensen kijken en dat ze me raar vinden. Dat ik iets stoms doe en dat mensen kijken. Dat ik iets stoms zeg en mensen het horen. Dat ik er stom uitzie. Dat m’n haar raar zit. Dat m’n gulp openstaat of m’n veter loszit. Dat er een rare vlek precies midden op m’n voorhoofd zit. Dat er iets tussen m’n tanden zit. Ik ben bang om naar de sportschool te gaan omdat ik het niet goed weet. En dan gaan mensen kijken en ik sta daar maar en ik weet het niet. Ik ben bang voor de jongens van de sportschool want zij weten het wel en ik weet het niet, en dan kijken ze en dan denken ze, ‘Dat meisje weet het niet, wat een raar meisje, haar haar zit ook nog eens raar en haar hoofd is helemaal rood.’ Ik ben bang dat mensen kijken. Ik ben bang dat mensen lachen. Of wegkijken uit schaamte.
Ik ben bang voor de toekomst. Bang dat ik het allemaal niet kan en dat ik het allemaal verkeerd doe. Bang dat het nooit wat wordt met mij en dat ik voor altijd bang blijf voor wat er komen gaat. Bang om volwassen te worden en verantwoordelijkheden te hebben. Bang om een vaste baan te hebben met een sleur en elke ochtend om negen uur naar het werk en elke avond om zes uur weer thuis. En dan eten maken. Bang dat het saai wordt. Bang voor regelmaat. Bang dat ik niet gelukkig zal zijn. Bang dat ik niet van het leven kan maken wat ik wil. Bang dat als ik plannen maak, dat er iets in de weg staat. Ik ben bang voor verandering. Voor onverwachtse dingen. Ik ben bang dat er een moment komt dat ik op deze bank ga zitten en er nooit meer afkom. Omdat alles eng is en niets zin heeft.